Kaarsvet tranen

“Als je zo gelukkig bent zonder mij wat doe je hier dan?” Voor me staat de man aan wie ik niet wil denken. Hij haalt zijn schouders op. “Ik weet dat je altijd de vier mijl loopt, dus ik wist dat ik je hier tegen zou komen.” Hij drukt een zoen op mijn wang. Mijn zus die achter hem staat maakt een snijgebaar richting haar keel en ondanks alles moet ik glimlachen.

“Dat is geen antwoord op mijn vraag.” De jongen die ik net ontmoet heb staat er wat verloren bij. De ex, die ik net vergeten was, slaat zijn arm om me heen alsof hij het alleenrecht op me heeft.

“Weet je Chantal, als jij binnenkomt wordt het licht. Het is alsof je met een kaars een donkere ruimte inloopt.” Ik wil de neiging onderdrukken tegen hem te gaan schreeuwen. Jarenlang probeerde ik hem uit te leggen dat ik metaforen, een pen en tijd nodig had om te schrijven. En altijd was er kritiek. Schrijven was een hobby. Ik was een dromer. Dat hij nu zijn eigen poëzie gebruikt om mij milder te stemmen doet me meer pijn dan ik toe wil geven.

Ik kijk naar de leuke jongen naast me en naar de man waarvan ik altijd wilde dat hij terug zou komen.Waarom wil hij het korstje van het wondje van mijn hart krabben? Is het niet voldoende dat hij weet dat hij een litteken achter heeft gelaten en ik hem daarom nooit zal vergeten. Daarvoor hoeft hij me niet op te zoeken.

Ik kijk naar zijn gezicht waarvan ik elke rimpel ken. Ooit zouden wij samen oud worden. Mijn zus die ziet hoe ik twijfel, lacht geruststellend naar mij. De jongen met wie ik best had willen zoenen lacht naar een ander en terwijl ik een slokje van mijn bier neem voel ik mijn vlam van binnen doven. Zij lachen, maar ik huil kaarsvet tranen.

Geef een reactie